Uitspraak
18.423 BPW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1934, verzocht in juni 2016 om toekenning van een buitengewoon pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), met een beroep op artikel 3 van Pro het Besluit. Zij stelde psychische klachten te hebben als gevolg van het verzet van haar vader, die in 1972 een buitengewoon pensioen ontving.
Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellante of haar moeder zelf tot de verzetsdeelnemers behoorden, noch dat appellante ernstige verstoring van haar levensomstandigheden tijdens de oorlog had ondervonden door het verzet van haar vader. Medische adviezen concludeerden dat er geen patroon was van een ernstige, continue verstoring van levensomstandigheden door derdenverzet.
De Raad oordeelde dat het beleid van verweerder, dat vereist dat sprake moet zijn van ernstige verstoring en zichtbare symptomen van psychotraumatisering, correct is toegepast. De medische adviezen van artsen Maas en Roelofs onderschreven dat er geen rode draad van disfunctioneren was die tot de oorlog kon worden herleid. Appellante had zonder noemenswaardige problemen onderwijs gevolgd en gewerkt. Psychische klachten werden toegeschreven aan andere life-events en dramatische gezinsomstandigheden.
De Raad achtte het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag buitengewoon pensioen wordt gehandhaafd.