ECLI:NL:CRVB:2019:959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking Ziektewet-uitkering na arbeidsongeval
Betrokkene, werkzaam als hovenier bij appellante, meldde zich ziek na een arbeidsongeval en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde vast dat betrokkene minder dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en handhaafde dit besluit na bezwaar van appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat betrokkene minder beperkingen had en dat het UWV onvoldoende onderbouwing gaf voor het afwijzen van geselecteerde functies. Na deskundigenonderzoek en aanvullende toelichting wijzigde het UWV het besluit en stelde dat betrokkene meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waardoor de ZW-uitkering per 17 november 2014 had moeten worden beëindigd.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Ziektewet de intrekking van de uitkering niet eerder kan plaatsvinden dan de dag na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, waardoor de gewenste eerdere intrekking niet mogelijk is. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.