ECLI:NL:CRVB:2019:989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op gelijkstelling verzetsdeelname op grond van Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
Appellant, geboren in 1934, heeft in juni 2016 een aanvraag ingediend voor toekenning op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), waarbij hij zich beroept op gelijkstelling met verzetsdeelnemers vanwege het verzet van zijn ouders. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is aangetoond dat appellant zelf tot het verzet behoorde, noch dat hij een ernstige verstoring van zijn levensomstandigheden heeft ondervonden door het verzet van derden.
De Raad heeft het standpunt van verweerder bevestigd dat voor gelijkstelling sprake moet zijn van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, zichtbaar in psychotraumatisering en psychosociaal functioneren. Geneeskundige adviseurs hebben na onderzoek geconcludeerd dat er geen sprake is van een continue psychische verstoring (de zogenaamde 'rode draad') die tot de oorlog kan worden herleid.
Hoewel de vader en moeder van appellant tot de verzetsdeelnemers worden gerekend, is niet vastgesteld dat appellant zelf tot deze groep behoorde. De Raad acht het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd, en wijst het beroep af omdat de psychische klachten van appellant niet voldoen aan de criteria voor gelijkstelling.
De Raad verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden door het verzet van de ouders.