ECLI:NL:CRVB:2020:1013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tenuitvoerlegging voorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim ambtenaar
Appellante was sinds 1990 werkzaam bij de gemeente Alphen aan den Rijn en kreeg in 2016 een disciplinaire maatregel opgelegd: voorwaardelijk ontslag en salarisverlaging wegens plichtsverzuim door oneigenlijk gebruik van de Basis Registratie Personen (BRP). Dit ontslag werd niet ten uitvoer gelegd op voorwaarde dat zij binnen 24 maanden geen soortgelijk plichtsverzuim zou plegen.
In 2017 stelde het college vast dat appellante opnieuw plichtsverzuim had gepleegd door een collega aan te zetten tot het oneigenlijk raadplegen van de BRP, waarna het voorwaardelijk ontslag werd tenuitvoer gelegd en zij werd geschorst. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door het college en de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellante dat de tenuitvoerlegging onterecht was, maar de Raad oordeelde dat de voorwaarde voor tenuitvoerlegging was vervuld en dat het college de belangen zorgvuldig had afgewogen. Het aanzetten tot het raadplegen van de BRP buiten het protocol om kwalificeerde als plichtsverzuim.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim.