ECLI:NL:CRVB:2020:1023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing pensioenaanvraag AOW wegens onvoldoende bewijs verzekeringsperiode in Nederland
Appellant heeft in januari 2015 een AOW-pensioen aangevraagd, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant verzekerd was geweest voor de AOW. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard door de rechtbank Amsterdam.
Appellant stelde dat hij tussen 1970 en 1972 in Nederland had gewoond en gewerkt, en overhandigde kopieën van een loonberekening en een hulpbewijs van inschrijving bij het Algemeen Ziekenfonds. De Svb voerde onderzoek uit, waaronder navraag bij de gemeente Rotterdam, de bakkerij waar appellant zou hebben gewerkt en het pensioenfonds, maar vond geen bevestiging van de verzekeringsperiode.
De Raad oordeelde dat de overgelegde documenten onvoldoende bewijs vormden, mede omdat niet duidelijk was of deze documenten op appellant betrekking hadden. Ook het Certificat d’Individualité bood onvoldoende zekerheid vanwege discrepanties in adressen. Zelfs als de stukken op appellant zouden slaan, was niet aangetoond dat hij minimaal één kalenderjaar verzekerd was geweest, wat vereist is voor toekenning van een AOW-pensioen. De aangevallen uitspraak werd daarom bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om een AOW-pensioen wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij verzekerd was geweest.