ECLI:NL:CRVB:2020:1024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorschotbetaling WIA-uitkering door UWV conform Verdrag sociale zekerheid
Appellant, die in voormalig Joegoslavië en Nederland heeft gewerkt, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een WGA-loonaanvullingsuitkering toe vanaf 31 januari 2017, maar betaalde deze aanvankelijk als voorschot omdat onduidelijk was of appellant ook recht had op een buitenlandse uitkering. Appellant moest hiervoor vragenlijsten invullen, maar deed dit niet. Het bezwaar van appellant tegen deze voorschotregeling werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde dat het UWV juist handelde volgens het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Joegoslavië en het bijbehorende Administratief Akkoord. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet verplicht zou zijn een buitenlandse uitkering aan te vragen en dat zijn eigendomsrechten werden geschonden, maar deze gronden werden verworpen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het voorschot betaalde en dat er geen sprake was van verboden onderscheid of ontneming van eigendom. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank voldoende had gemotiveerd en dat internationale verdragsbepalingen niet waren geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de voorschotbetaling van de WIA-uitkering door het UWV wordt bevestigd.