ECLI:NL:CRVB:2020:1038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor laatst verrichte arbeid
Appellante was werkzaam als ouderencoach en meldde zich ziek met nek- en rugklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 6 juli 2017 nadat een verzekeringsarts haar geschikt achtte voor haar laatst verrichte arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medische onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zich had vergist over de aard van haar werkzaamheden en dat de verzekeringsartsen haar belastbaarheid hadden overschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank de gronden van appellante terecht had verworpen en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad benadrukte dat de functie van ouderencoach fysiek licht is met veel mogelijkheden tot afwisseling van houdingen, en dat de verzekeringsartsen hun oordeel baseerden op door appellante verstrekte informatie. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 6 juli 2017 wegens geschiktheid voor de laatst verrichte arbeid.