ECLI:NL:CRVB:2020:1040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, laatstelijk werkzaam als uitvoerend medewerker, kreeg in 2013 een WIA-uitkering toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen beëindigde het UWV deze uitkering per 7 januari 2015 omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellante meldde zich daarna opnieuw ziek en ontving een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%.
In 2016 vond een nieuwe herbeoordeling plaats waarbij is vastgesteld dat appellante niet geschikt is voor haar laatst verrichte werk, maar wel belastbaar is met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV beëindigde daarop de WIA-uitkering per 9 januari 2017 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de FML niet waren onderschat. Ook de arbeidskundige beoordeling en het vastgestelde opleidingsniveau werden als correct beoordeeld. Het verzoek om aanhouding voor een second opinion werd afgewezen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV haar vermoeidheidsklachten als gevolg van thalassemie had onderschat en dat onterecht geen urenbeperking was opgelegd. De Raad onderschreef echter de eerdere overwegingen en oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met alle klachten en beperkingen. Het verzoek om aanhouding voor een second opinion werd ook in hoger beroep afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.