ECLI:NL:CRVB:2020:1049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over maatwerkvoorziening begeleiding
Verzoekster, bekend met psychische en fysieke beperkingen, ontving een maatwerkvoorziening middelzware begeleiding via een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode 1 december 2018 tot 30 maart 2019. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond omdat verzoekster niet wilde meewerken aan een medisch onderzoek door de gemeente-arts.
Tijdens de beroepsfase deed verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening en beloofde zij medewerking aan het medisch onderzoek. Het college bood tijdelijk een pgb van 6 uur per week aan tot zes weken na de uitspraak op het beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat verzoekster niet aan haar medewerkingsplicht had voldaan.
Verzoekster stelde dat haar moeder onvoldoende inkomsten ontving voor de verleende begeleiding en dat het college ondanks volledige medewerking nog geen besluit tot voortzetting had genomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen zodanig spoedeisend belang was om de uitspraak in de bodemprocedure niet af te wachten, mede omdat het college zorg in natura aanbood.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.