ECLI:NL:CRVB:2020:1062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ouderdomspensioen wegens onduidelijkheid eerste echtgenote
Appellante betwistte de ingangsdatum van haar toegekende ouderdomspensioen en stelde dat zij de eerste echtgenote was van haar overleden partner, wat recht zou geven op een ouderdomspensioen vanaf 2013. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had het pensioen toegekend met ingang van 1 april 2014, maar het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en het pensioen ingetrokken omdat appellante volgens de Svb de tweede echtgenote zou zijn.
De Raad onderzocht verschillende huwelijksakten en aanvragen, waaruit niet eenduidig bleek wie de eerste echtgenote was. Bovendien bestond er gerede twijfel over de juistheid van de Svb-stelling, mede door een rapport van de Raad van Arbeid uit 1996 en andere verklaringen in het dossier die erop wijzen dat appellante mogelijk de eerste echtgenote was.
De Raad oordeelde dat de Svb onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante niet de eerste echtgenote was en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kon blijven. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de Svb werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over het bezwaar. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Svb moet een nieuwe beslissing nemen over het ouderdomspensioen.