Uitspraak
26 april 2018, 18/311 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Volgens artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij het indienen van een beroepschrift griffierecht worden betaald. Dit griffierecht is ook van toepassing op hoger beroep op grond van artikel 8:108 Awb Pro.
Appellant is bij brief van 4 september 2019 en bij aangetekende brief van 5 oktober 2019 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €128,- en de betalingstermijnen. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.P.M. Zeijen en griffier L.R. Scherpenzeel-Carlier op 6 mei 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.