ECLI:NL:CRVB:2020:1104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op beëindiging Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, met een verstandelijke beperking, ontving tot 2006 een Wajong-uitkering die toen werd beëindigd wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. In 2016 verzocht hij het UWV terug te komen op dit besluit, stellende dat zijn situatie was verslechterd door depressie en andere factoren. Het UWV wees dit verzoek af, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.
Appellant maakte bezwaar en voegde medische rapporten toe, maar de verzekeringsarts oordeelde dat deze niet leidden tot een ander oordeel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzoek terecht was afgewezen. De rechtbank vond geen sprake van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering en geen evident onredelijk besluit.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder een beroep op het beginsel van equality of arms, en gaf aan geen financiële middelen te hebben voor een eigen deskundige. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank, stelde vast dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot herziening van de Wajong-uitkering bevestigd.