ECLI:NL:CRVB:2020:1107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator via een uitzendbureau, meldde zich ziek per 15 december 2014 en ontving een Ziektewetuitkering (ZW-uitkering). Na een eerstejaars beoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant niet zijn eigen werk kon doen maar nog 72,69% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom de ZW-uitkering per 15 januari 2016 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar, waarna het primaire besluit werd herroepen en de uitkering ingetrokken per 8 mei 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen in de FML overtuigend waren gemotiveerd. Appellant kon de door de arbeidsdeskundige genoemde functies vervullen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank een ontbrekend stuk had ontvangen, maar dat hij geen gelegenheid kreeg om medicatiegegevens aan te leveren. De Raad overwoog dat de rechtbank het dossier mocht completeren met ontbrekende stukken en dat aanvullende stukken over medicatie niet tijdig waren ingediend volgens de Awb. De Raad vond geen schending van de goede procesorde en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en het medisch onderzoek zorgvuldig en overtuigend is gemotiveerd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.