ECLI:NL:CRVB:2020:111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen de beslissing van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 4 september 2017 te beëindigen, omdat hij volgens het UWV geschikt was voor ten minste één van de functies geselecteerd bij de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb).
De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt omdat appellant in essentie dezelfde argumenten aanvoert als in het eerdere beroep, welke reeds door de rechtbank zijn gemotiveerd afgewezen.
De medische informatie, waaronder een rapport van een psychiater en gegevens van behandelaars, biedt geen aanwijzingen dat appellant op de datum in geschil meer beperkingen had dan het UWV aannam. De verzekeringsarts had aanvankelijk twijfels over beperkingen in het zelfstandig functioneren, maar deze werden niet bevestigd door het psychiatrisch rapport.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit tot beëindiging van de uitkering en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.