ECLI:NL:CRVB:2020:1111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en niet verstrekken gevraagde gegevens
Appellante ontving sinds 2007 bijstand en werd in 2017 opgeroepen voor een gesprek met het dagelijks bestuur waarbij zij bankafschriften moest overleggen. Zij verscheen niet op het gesprek en gaf geen gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn. Het dagelijks bestuur schortte de bijstand op en trok deze later in met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. Appellante voerde aan dat zij op vakantie was en dit had geprobeerd te melden, en dat het college geen belang had bij intrekking omdat zij later weer bijstand kreeg toegekend. De Raad oordeelde dat het niet verschijnen en het niet verstrekken van gegevens haar verwijtbaar is, omdat zij geen toestemming had voor de vakantie en het college niet op de hoogte was.
De Raad overwoog dat gegevens die na de hersteltermijn worden verstrekt in principe niet meetellen en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet binnen de termijn kon voldoen. De intrekking van de bijstand wordt daarom in stand gelaten. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en niet verstrekken van gevraagde gegevens wordt bevestigd.