Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1137

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2020
Publicatiedatum
26 mei 2020
Zaaknummer
19/2158 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:57 AwbWerkloosheidswetZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgevolg aanmaningsbrief UWV en ontvankelijkheid bezwaar

Appellante ontving van het UWV een voorschot op een WW-uitkering, welke later werd ingetrokken wegens recht op Ziektewetuitkering. Het UWV vorderde een bedrag terug en stuurde een aanmaningsbrief voor betaling. Appellante maakte bezwaar tegen zowel het terugvorderingsbesluit als de aanmaningsbrief. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de aanmaningsbrief niet-ontvankelijk omdat deze brief geen besluit is in de zin van de Awb, en stelde het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit buiten termijn.

In hoger beroep betoogde appellante dat de aanmaningsbrief een onterecht verrekeningsbesluit bevatte en dus wel rechtsgevolg had. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de brief slechts een betalingsherinnering is en geen besluit met rechtsgevolg. Daarom was het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is duidelijk dat aanmaningsbrieven van het UWV niet als besluiten kwalificeren en niet vatbaar zijn voor bezwaar.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaar tegen de aanmaningsbrief is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

19 2158 WW

Datum uitspraak: 26 mei 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
20 maart 2019, 18/2307 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Het Uwv heeft appellante bij besluit van 10 augustus 2017 met ingang van 14 juli 2017 een voorschot op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij besluit van 16 januari 2018 heeft het Uwv het besluit van 10 augustus 2017 ingetrokken, omdat is gebleken dat appellante per die datum recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met ingang van 14 juli 2017 herzien (lees: ingetrokken) en een bedrag van € 8.785,82 bruto aan te veel betaalde WW-uitkering over de periode van 14 juli 2017 tot en met 31 december 2017 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 19 januari 2018 heeft het Uwv een totaalbedrag van € 8.412,38 bij appellante ingevorderd.
1.2.
Bij brief van 16 februari 2018 heeft het Uwv appellante een ‘Herinnering terugbetaling vordering WW’ gezonden, waarin appellante is verzocht het nog openstaande bedrag van de terugvordering van de WW-uitkering binnen twee weken na 16 februari 2018 aan het Uwv terug te betalen.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 januari 2018 en tegen de brief van 16 februari 2018. Bij besluit van 15 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv deze bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zelf in de zaak voorziende heeft de rechtbank de bezwaren van appellante tegen het besluit van 19 januari 2018 en de brief van 16 februari 2018 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Ten slotte heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden en heeft zij een proceskostenveroordeling uitgesproken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 16 februari 2018 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat deze brief als een aanmaningsbrief moet worden aangemerkt en daarom niet is gericht op rechtsgevolg. Het rechtsgevolg vloeit voort uit de eerdere besluiten van het Uwv. Het besluit van 19 januari 2018 is naar het oordeel van de rechtbank wel op rechtsgevolg gericht. Dit betekent dat het Uwv het bezwaar, voor zover gericht tegen de brief van 16 februari 2018, niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 19 januari 2018, buiten de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. 3.1. Het hoger beroep van appellante is alleen gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de brief van 16 februari 2018 als een aanmaningsbrief moet worden aangemerkt, dat deze niet op rechtsgevolg is gericht en daarom niet een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Volgens appellante moet de brief van 16 februari 2018 als een onterecht verrekeningsbesluit worden aangemerkt en heeft het Uwv daarin voor het eerst kenbaar gemaakt dat de verrekening van de WW-uitkering niet wordt beperkt tot het bedrag van de nabetaalde ZW-uitkering. Volgens appellante is de weigering de verrekening te beperken gericht op rechtsgevolg en volgens haar vloeide dat rechtsgevolg niet voort uit het besluit van 19 januari 2018.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank dat de brief van 16 februari 2018 niet is gericht op rechtsgevolg omdat deze brief moet worden aangemerkt als een aanmaningsbrief dan wel een betalingsherinnering en daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onderschreven. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen de brief van 16 februari 2018 niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2020.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) F.E.M. Boon