ECLI:NL:CRVB:2020:1145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde AWBZ-pgb voorschotten wegens onvoldoende verantwoording
Appellante kreeg voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ toegekend. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 22 mei 2015 op nihil vast en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten van €65.470,57 terug, omdat appellante niet aan de pgb-verplichtingen voldeed. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het pgb aan AWBZ-zorg was besteed, mede vanwege onvolledige en niet-deugdelijke verantwoording en strijd met de voorschriften van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
Appellante voerde aan dat zij de zorg wel correct had verantwoord en dat het zorgkantoor onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen en zorgplicht. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat de administratie niet voldeed aan de eisen van artikel 2.6.9 Rsa, onder meer omdat vooruitbetalingen waren gedaan en uitbetaalde bedragen niet overeenkwamen met gedeclareerde zorg. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij appellante ligt en dat fouten bij de verantwoording, ook indien veroorzaakt door derden, voor haar risico zijn.
De Raad stelde vast dat het zorgkantoor in redelijkheid het pgb op nihil kon vaststellen en de voorschotten terugvorderen. Ook mocht appellante niet vertrouwen op voorlopige goedkeuringen, aangezien deze na administratief onderzoek konden worden afgekeurd. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pgb wordt op nihil vastgesteld met terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten.