ECLI:NL:CRVB:2020:1147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken beroepsgronden
De appellant heeft bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen beroepsgronden, hetgeen een vereiste is volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemachtigde van appellant is twee keer schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen een gestelde termijn de beroepsgronden alsnog in te dienen, maar heeft deze termijnen ongebruikt laten verstrijken.
Er zijn geen redenen gebleken die het verzuim van het niet indienen van beroepsgronden kunnen verontschuldigen. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder dat de inhoud van het beroep is onderzocht. Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 mei 2020. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken verzet open.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet tijdig aanvullen daarvan.