ECLI:NL:CRVB:2020:115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en niet-voltooiing wachttijd Wet WIA bevestigd
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering per 21 maart 2017 en het oordeel dat hij geen recht had op een WIA-uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond en deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
De kern van het geschil betrof de juistheid van de vastgestelde beperkingen van appellant. De Raad oordeelde dat er geen objectiveerbare medische informatie was die aantoonde dat appellant op de datum in kwestie meer beperkt was dan het UWV had aangenomen. Het medisch onderzoek was zorgvuldig uitgevoerd, waarbij ook de informatie van de behandelend sector was meegewogen. Er waren substantiële beperkingen aangenomen, maar in hoger beroep was geen nieuwe medische informatie overgelegd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat er geen aanleiding was om een urenbeperking in passende arbeid aan te nemen, omdat de door appellant gestelde ernstige moeheid onverklaard bleef. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering had beëindigd en dat daarmee ook terecht was vastgesteld dat de wachttijd voor de Wet WIA niet was voltooid. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd en de wachttijd voor de Wet WIA is niet voltooid.