ECLI:NL:CRVB:2020:1161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na medisch onderzoek en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellante was werkzaam als informatiespecialist en ontving sinds november 2010 een WW-uitkering. Na ziekmelding in juli 2014 met hartklachten werd haar een Ziektewetuitkering toegekend. Op 19 juni 2015 werd zij medisch onderzocht en geschikt bevonden voor haar eigen werk per 25 juni 2015. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Omdat twijfel bestond over de medische beoordeling, benoemde de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts. Deze concludeerde dat appellante ondanks beperkingen geschikt was voor haar eigen werk, rekening houdend met incidentele hartritmestoornissen en fysieke beperkingen.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het UWV de ZW-uitkering terecht had beëindigd. Tevens werd vastgesteld dat de bestuursrechter de redelijke termijn van de procedure met ruim 11 maanden had overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,- aan appellante. De Staat werd ook veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €262,50.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waarbij zij de belangen van appellante zorgvuldig afwoog tegen de medische bevindingen en de wettelijke kaders.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd per 25 juni 2015 en de Staat is veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.