Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1169

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2020
Publicatiedatum
3 juni 2020
Zaaknummer
17/4811 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 sub b AOWArt. 8:57 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging wijziging AOW-pensioen naar gehuwd pensioen wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven

Appellant ontving sinds 2009 een AOW-pensioen voor gehuwden. Na melding van zijn echtgenote dat zij apart ging wonen, werd het pensioen gewijzigd naar alleenstaande. Na onderzoek in 2016, inclusief huisbezoeken en verklaringen van beide echtgenoten, concludeerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven. De Svb wijzigde het pensioen terug naar gehuwd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat echtgenoten ieder een eigen leven leiden alsof zij ongehuwd zijn, hetgeen niet het geval is als blijkt uit concrete feiten zoals financiële verstrengeling en regelmatig contact.

De verklaringen toonden aan dat appellant maandelijks een bedrag aan zijn echtgenote overmaakt en zij regelmatig contact hebben, samen koffie drinken en culturele activiteiten ondernemen. Dit duidt op het voortbestaan van de huwelijkse samenleving ondanks het feit dat zij niet samenwonen. De fiscale partnerschapstatus was niet doorslaggevend. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het AOW-pensioen van appellant blijft vastgesteld op het gehuwde niveau.

Uitspraak

17 4811 AOW

Datum uitspraak: 26 mei 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juni 2017, 16/5096 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 17 maart 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Partijen zijn daarover geïnformeerd. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de Raad voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, heeft de Raad partijen voorgelegd of zij gebruik willen maken van het recht te worden gehoord.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is gehuwd met X (echtgenote). Sinds maart 2009 ontving hij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde. Naar aanleiding van een melding van de echtgenote op 27 januari 2015 dat zij met ingang van 1 februari 2015 gaat verhuizen en apart gaat wonen van appellant, heeft de Svb het AOW‑pensioen van appellant gewijzigd naar een pensioen voor een alleenstaande. In het kader van een algemeen onderzoek naar de leefsituatie van een vooraf gedefinieerde groep AOW-gerechtigden in april 2016, heeft de Svb onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van het aan appellant en zijn echtgenote verstrekte AOW-pensioen. In het kader van het onderzoek hebben twee toezichthouders van de Svb op 22 juli 2016 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellant. Tijdens het huisbezoek heeft appellant verklaard dat hij vanaf januari 2016 maandelijks een bedrag van € 1.650,- aan zijn echtgenote overmaakt. Verder heeft hij verklaard dat hij één maal per veertien dagen voor een paar uurtjes naar zijn echtgenote gaat en koffie met haar drinkt. Hij eet daar een enkele keer als er oude vrienden zijn. Van overnachten is geen sprake. Als zij samen op bezoek gaan bij de kinderen gaan zij weleens uit eten. Zij gaan nooit alleen samen uit eten. Op 4 augustus 2016 hebben de toezichthouders ook een huisbezoek afgelegd aan de woning van de echtgenote. Zij heeft de verklaring van appellant bevestigd en daar aan toegevoegd dat zij in een winterseizoen ongeveer vier maal naar cabaret of een toneelvoorstelling gaan. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 4 augustus 2016.
1.2.
De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van
9 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 december 2016 (bestreden besluit), de hoogte van het AOW-pensioen van appellant te wijzigen naar een pensioen voor een gehuwde.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is als ongehuwd aangemerkt.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze dit door ten minste één van hen als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat betrokkenen samenwonen. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkenen duurzaam gescheiden leven niet relevant. Vergelijk de uitspraken van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek van de Svb voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven.
4.3.1.
Uit de verklaringen van appellant en zijn echtgenote blijkt dat sprake is van een financiële verstrengeling omdat appellant maandelijks bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van zijn echtgenote door haar een bedrag van € 1.650,- per maand te betalen. Anders dan appellant stelt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zijn bijdrage van € 1.650,- voortvloeit uit de huwelijkse verplichtingen en niet kan worden aangemerkt als een soort alimentatie. De beroepsgrond van appellant dat de sociale verstrengeling niet van belang is voor de beoordeling van duurzaam gescheiden leven slaagt niet. In dat verband is van betekenis dat appellant en zijn echtgenote elkaar eens per twee weken zien en samen koffie drinken. Als zij bij hun kinderen op bezoek gaan, gaan zij wel eens met hen uit eten. In het winterseizoen gaan zij samen naar het cabaret of een toneelvoorstelling. Dit duidt niet op een situatie waarin appellant en zijn echtgenote een leven leiden als waren zij ongehuwd.
4.4.
De omstandigheid dat appellant en zijn echtgenote fiscaal partner zijn is op zichzelf niet van doorslaggevende betekenis voor een oordeel over duurzaam gescheiden leven. Dat dit geen keuze is, maar komt door de fiscale wetgeving is in dit verband niet relevant.
4.5.
De stelling van appellant dat zijn situatie niet op basis van de rechtspraak mag worden beoordeeld slaagt niet. De rechtbank heeft bij wijze van voorbeeld verwezen naar eerdere uitspraken van de Raad en gezocht naar vergelijkbare gevallen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2020.
(getekend) M. Hillen
(getekend) L. Hagendijk
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven.