ECLI:NL:CRVB:2020:1187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid over inkomen en vermogen
Appellant, voormalig zelfstandig ondernemer, diende op 6 februari 2017 een aanvraag om bijstand in. Uit bankafschriften bleek dat er in de periode november 2016 tot en met maart 2017 aanzienlijke bedragen op zijn rekeningen werden gestort. Appellant verklaarde dat het geld afkomstig was van leningen van vrienden, maar gaf geen nadere gegevens over deze personen.
Het college wees de aanvraag af omdat de stortingen hoger waren dan de bijstandsnorm en dus als inkomen moesten worden beschouwd. Appellant stelde dat het spaargeld en terugbetalingen van vrienden geen inkomen waren. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de bewijslast bij appellant ligt en dat hij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de herkomst van het geld. De stortingen hadden een terugkerend karakter en zijn daarom inkomen in de zin van de Participatiewet. De Raad bevestigt dat de aanvraag terecht is afgewezen en dat er vanaf mei 2017 wel bijstand werd toegekend vanwege gewijzigde financiële omstandigheden.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is afgewezen omdat kasstortingen als inkomen gelden en appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over de herkomst ervan.