ECLI:NL:CRVB:2020:1190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering AIO-aanvulling wegens niet-melding onroerend goed in Turkije
Appellante en haar echtgenoot ontvingen vanaf 1 juli 2006 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). In 2016 vulden zij een formulier in waarin zij aangaven geen onroerend goed buiten Nederland te bezitten, terwijl onderzoek van de Nederlandse ambassade in Ankara aantoonde dat zij en haar echtgenoot meerdere onroerende zaken in Turkije hadden, waaronder een appartement en bouwgrond.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok daarom bij besluiten van februari 2017 de AIO-aanvulling met ingang van 1 juli 2006 in en vorderde de ontvangen bedragen terug. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit, waarna appellante hoger beroep instelde.
In hoger beroep erkende appellante de schending van de inlichtingenplicht, maar stelde dat de Svb ten onrechte de waarde van de onroerende zaken in 2016 had gebruikt voor de terugvordering over de periode vanaf 2006. De Raad oordeelde dat de Svb niet is uitgegaan van de waarde in 2016, maar dat het recht op AIO niet kan worden vastgesteld zonder inzicht in de waardeontwikkeling. Het is aan appellante om dit aan te tonen, wat zij niet deed.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling bevestigd.