ECLI:NL:CRVB:2020:1193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar deze werd ingetrokken vanwege onduidelijkheid over zijn verblijfplaats. Na meerdere aanvragen en afwijzingen wegens schending van medewerkings- en inlichtingenplicht, kende het college bijstand toe met ingang van 15 juli 2018, maar niet met terugwerkende kracht vanaf 30 april 2018. De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat bijzondere omstandigheden een eerdere toekenning rechtvaardigen.
De Raad beoordeelde de periode van 30 april tot 15 juli 2018 en maakte onderscheid tussen periodes met en zonder eerdere besluitvorming. Volgens vaste rechtspraak wordt bijstand voorafgaand aan een aanvraag in principe niet toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant voerde aan tot een bijzondere doelgroep te behoren en een TBS-maatregel te hebben gehad, maar slaagde er niet in dit met objectieve stukken te onderbouwen. Ook bleek niet dat hij eerder een aanvraag kon doen of dat het college hem daarvan weerhield.
De Raad concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een bijstandstoekenning vóór 15 juli 2018 rechtvaardigen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.