ECLI:NL:CRVB:2010:BO2996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en ingangsdatum bijstand na intrekking
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB, die door het College met ingang van 1 juli 2007 werd ingetrokken. Ondanks deze intrekking ontving appellant bijstand tot en met 31 augustus 2007. Na een procedure werd het intrekkingsbesluit deels vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven grotendeels in stand. Appellant diende op 25 november 2008 een nieuwe aanvraag in, waarna bijstand werd toegekend vanaf die datum.
De Raad oordeelt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. De Raad bevestigt dat het College bevoegd was om de bijstand over de periode van 1 juli tot en met 3 augustus 2007 terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWB, en over de periode van 4 augustus tot en met 31 augustus 2007 op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, WWB, vanwege een administratieve vergissing.
Het verzoek van appellant om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die dit rechtvaardigen. De Raad vernietigt het vonnis voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen en veroordeelt het College in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard, de terugvordering bevestigd, schadevergoeding afgewezen en het College veroordeeld in de proceskosten.