ECLI:NL:CRVB:2020:1201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WGA-vervolguitkering op basis van arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%
Appellante is sinds 1 februari 2011 arbeidsongeschikt voor haar werk als medewerkster kinderopvang. Na een initiële vaststelling van 62,54% arbeidsongeschiktheid en een daaropvolgende WGA-vervolguitkering van 55 tot 65%, heeft het UWV in 2016 een herbeoordeling uitgevoerd. Op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 40,57%, wat leidde tot een verlaging van de uitkering naar een klasse van 35 tot 45%.
Appellante maakte bezwaar tegen deze verlaging en voerde onder meer onzorgvuldig medisch onderzoek en een gebrekkige motivering aan. Zij overhandigde expertiserapporten van de Landelijke Expertisebalie die meer beperkingen aannamen dan het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig en volgens de geldende protocollen is uitgevoerd. De rapporten van de Landelijke Expertisebalie geven onvoldoende aanleiding om de conclusies van de verzekeringsarts te betwijfelen. De functionele mogelijkhedenlijst bevat passende beperkingen, waaronder urenbeperkingen en beperkingen bij stressvolle en zware werkzaamheden. Het hoger beroep wordt verworpen en de verlaging van de WGA-vervolguitkering blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WGA-vervolguitkering naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.