ECLI:NL:CRVB:2020:1204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante meldde zich in februari 2015 ziek met knieklachten en vroeg in november 2016 een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar laatste werk, maar wel voor andere functies met een arbeidsongeschiktheid van 13,37%.
Het UWV weigerde de WIA-uitkering per 21 februari 2017 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de FML onjuist was en verzocht om wettelijke rentevergoeding. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, vond geen nieuwe medische stukken die twijfel rechtvaardigden, en bevestigde dat de functies passend waren. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om rentevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.