ECLI:NL:CRVB:2020:1214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant was werkzaam als [functie] en meldde zich ziek op 20 augustus 2014. Na beëindiging van het dienstverband in 2016 weigerde het Uwv op 26 januari 2017 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant ontving vanaf 6 januari 2017 een WW-uitkering en vanaf 3 april 2017 ziekengeld op grond van de Ziektewet. Op 16 mei 2017 werd appellant door een verzekeringsarts geschikt bevonden voor geselecteerde functies, waarna het Uwv het ziekengeld beëindigde en vaststelde dat geen recht op WIA-uitkering bestond wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en deugdelijk waren uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had extra beperkingen vastgesteld, maar geen medische indicatie gevonden voor verdere beperkingen. Appellant voerde in hoger beroep soortgelijke gronden aan, waaronder PTSS-klachten en taalbeheersing, maar overlegde geen nieuwe medische informatie.
De Raad volgde de rechtbank en het Uwv, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen niet waren toegenomen en appellant geschikt was voor de geselecteerde functies. Een nader deskundigenonderzoek werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.