Uitspraak
19.1499 PW-PV
mr. M.M. Dezfouli, advocaat, verschenen. Het college is niet verschenen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg trok de bijstand over de periode van januari 2017 tot en met maart 2018 in en vorderde de kosten terug omdat appellante niet had gemeld dat zij als schoonheidsspecialiste werkte en daarvoor geld ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante voerde aan dat haar werkzaamheden vanwege haar bijzondere situatie niet als op geld waardeerbare werkzaamheden moesten worden gezien, dat zij slechts geringe bedragen ontving en dat zij haar ambitie om een salon te starten wel had gemeld. Ook stelde zij dat het college had moeten volstaan met verrekening van de bedragen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de intentie waarmee de werkzaamheden werden verricht niet relevant is; het ontvangen van geld maakt de werkzaamheden op geld waardeerbaar. Appellante had haar werkzaamheden moeten melden. Contacten met de gemeente over haar ambitie voldeden niet aan de inlichtingenplicht omdat zij niet had gemeld dat zij daadwerkelijk behandelingen uitvoerde. Verwijtbaarheid speelt geen rol bij de inlichtingenplicht. Het college was daarom terecht gehouden de bijstand in te trekken. Een belangenafweging was niet aan de orde omdat de wet intrekking voorschrijft.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag de bijstand intrekken en terugvorderen wegens niet gemelde werkzaamheden.