ECLI:NL:CRVB:2020:1223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen en boete wegens niet tijdige melding huwelijk
Appellant ontving een AOW-pensioen op basis van de alleenstaandennorm en meldde op 20 mei 2016 dat hij op 12 december 2015 was gehuwd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen met ingang van januari 2016 naar de gehuwdennorm en vorderde het te veel betaalde bedrag terug, inclusief een boete van 25% van het benadelingsbedrag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering en boete ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij pas vanaf 9 juni 2016 samenwoonde met zijn echtgenote en dat hij het huwelijk tijdig had gemeld met een brief van 21 december 2015, die echter niet door de Svb was ontvangen.
De Raad oordeelde dat het herzieningsbesluit rechtens vaststaat en dat de Svb op grond van de AOW verplicht is het te veel betaalde terug te vorderen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet gesteld of gebleken. De boete is terecht opgelegd, maar het benadelingsbedrag wordt verlaagd door de maand januari 2016 buiten beschouwing te laten, omdat de melding binnen zes weken na het huwelijk had moeten plaatsvinden.
De Raad stelde vast dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid omdat hij het huwelijk alsnog in mei 2016 meldde. De boete werd daarom vastgesteld op € 382,36. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de boete betreft en de Svb werd verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op € 382,36 vanwege vertraagde melding van het huwelijk, met bevestiging van de herziening van het AOW-pensioen.