Appellante ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na vaststelling dat zij inkomsten had genoten die niet juist waren doorgegeven, stelde het UWV haar uitkering bij en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens het niet juist doorgeven van inkomsten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen de terugvorderingen ongegrond en handhaafde de boete. In hoger beroep betoogde appellante dat zij het UWV tijdig had geïnformeerd en de te veel ontvangen uitkeringen deels had terugbetaald. Zij stelde dat het UWV de fout maakte door de uitkering voort te zetten ondanks haar meldingen.
De Raad oordeelde dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege de financiële situatie van appellante. Wel vernietigde de Raad het boetebesluit, omdat het UWV de boete niet langer wilde handhaven. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van wettelijke rente over de onterecht betaalde boete en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.