ECLI:NL:CRVB:2020:1263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na zorgvuldige medische en arbeidsdeskundige beoordeling
Appellante, werkzaam als objectleidster, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees de uitkering aanvankelijk af vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar stelde een verzekeringsarts bezwaar en beroep een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarna het UWV een loongerelateerde WGA-uitkering toekende met een arbeidsongeschiktheid van 55,68%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidsdeskundige rapportage de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende onderbouwde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar gezondheid per 1 december 2017 was verslechterd en dat extra beperkingen in de FML hadden moeten worden aangenomen, onder meer door longziekten en medicatiegebruik.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen en urenbeperking adequaat had gemotiveerd. De Raad vond geen aanleiding om de medische beoordeling te betwijfelen, ook niet gezien de ingebrachte huisartseninformatie en de aard van de longziekten. De arbeidsdeskundige had bovendien overtuigend toegelicht dat de geselecteerde functies passend waren, ook met inachtneming van de persoonlijke risico's en beperkingen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de WIA-uitkering met 55,68% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.