Uitspraak
19 augustus 2019, 18/2661 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV en trok dit hoger beroep in nadat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar geheel aan de bezwaren tegemoet was gekomen. Vervolgens verzocht appellant om vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een veroordeling in de kosten alleen kan worden toegewezen voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Omdat appellant zelf de proceshandelingen verrichtte zonder inschakeling van een professioneel rechtshulpverlener, kwam geen vergoeding in aanmerking.
Ook voor de in hoger beroep gemaakte kosten bestond geen grond voor vergoeding, omdat niet was gebleken van proceshandelingen die volgens het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom wees de Raad het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen professionele rechtsbijstand is ingeschakeld.