ECLI:NL:CRVB:2020:1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning aanvullende uitkering met WW-uitkering als structureel inkomen
Appellant, sinds 2001 werkzaam bij de politie, kreeg in 2010 PTSS erkend als beroepsziekte en werd in 2017 ontslagen. De korpschef kende hem een aanvullende uitkering toe op grond van artikel 39b Bbp, waarbij de WW-uitkering als structureel inkomen werd aangemerkt. Appellant betwistte de hoogte van de uitkering en het meenemen van de Vervangende Inconveniënten Toelage (VIT) van €880 over drie maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de aanvullende uitkering definitief was vastgesteld en dat de VIT correct naar de betreffende maanden was toegerekend. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onduidelijk was hoe om te gaan met niet-structurele inkomsten uit arbeid zoals eenmalige werkzaamheden.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de VIT terecht naar rato was meegenomen en dat de korpschef de uitkering correct had vastgesteld. Tevens werd toegelicht dat het begrip 'nieuwe structurele inkomsten uit arbeid' ook tijdelijke en eenmalige werkzaamheden omvat. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanvullende uitkering correct is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.