Uitspraak
18.1804 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig assistent buitendienst, meldde zich ziek in 2009 en vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens onvoldoende mate van arbeidsongeschiktheid. Na een verslechtering van zijn gezondheid in 2015 weigerde het UWV opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen, gebaseerd op medische rapporten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid van appellant niet werd overschreden door de functies waarop de beoordeling was gebaseerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het dossier onvolledig was, met name door het ontbreken van informatie van zijn psychiater, en dat de functies niet passend waren gezien zijn beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende informatie had verzameld, inclusief herhaalde verzoeken om informatie bij de psychiater die niet werd ontvangen. De verzekeringsarts had een volledig beeld en motiveerde duidelijk waarom appellant niet verdergaand beperkt was dan vastgesteld. Ook werd bevestigd dat de functies geen hoog handelingstempo vereisten en dat er geen onderbouwing was voor onvoldoende rekening met mentale beperkingen.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.