ECLI:NL:CRVB:2020:1317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV
Appellant was werkzaam als magazijnbediende en ontving een Ziektewetuitkering vanwege rug- en heupklachten. Na een eerstejaars beoordeling door verzekeringsartsen van het UWV werd vastgesteld dat appellant nog 86,89% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij aanvullende beperkingen werden vastgesteld, maar het UWV bleef bij haar oordeel dat appellant geschikt was voor bepaalde functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over onderschatting van zijn klachten, maar bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden aan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad concludeerde dat appellant geen recht heeft op voortzetting van de Ziektewetuitkering, omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.