ECLI:NL:CRVB:2020:132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid per 28 juni 2017
Appellante was werkzaam als thuishulp en meldde zich ziek op 17 maart 2017 met fysieke en energieke beperkingen. Het UWV kende haar ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Een verzekeringsarts verklaarde haar per 28 juni 2017 geschikt voor haar maatgevende arbeid, waarna het UWV het ziekengeld beëindigde. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische informatie geen nieuwe diagnoses of toename van ernst bevatte en dat haar klachten niet medisch objectief onderbouwd waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren verergerd en dat zij haar werk niet meer kon verrichten, onderbouwd met medisch bewijs. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts het medisch dossier inzichtelijk had beoordeeld en dat er geen ernstige lichamelijke afwijkingen of psychopathologie waren vastgesteld die haar arbeidsgeschiktheid in de weg stonden. De aanvullende medische informatie betrof een periode na de datum van beoordeling en kon het oordeel niet wijzigen.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om vergoeding van proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 28 juni 2017 wordt bevestigd.