Appellante, werkzaam als graveuse, meldde zich ziek met rug- en spanningsklachten. Het UWV stelde vast dat zij haar eigen werk, aangepast en fulltime, kon verrichten en weigerde daarom een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Later ontving zij ziekengeld wegens zwangerschapsklachten, dat eveneens werd beëindigd na onderzoek en bezwaar.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen en medicijngebruik (morfinepleisters) onvoldoende werden meegewogen, waardoor zij ten onrechte als geschikt voor haar werk werd beschouwd. De Raad liet een deskundige rapporteren die beperkingen op het persoonlijk risico bevestigde, maar concludeerde dat appellante ondanks medicatie haar werk als graveuse kon uitvoeren.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en bevestigde de aangevallen uitspraken. Tevens werd een schadevergoeding van €3.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Proceskosten werden deels toegewezen aan appellante, en het griffierecht werd vergoed.