ECLI:NL:CRVB:2020:134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met psychische klachten, later gevolgd door lichamelijke klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2016 concludeerde een verzekeringsarts dat zij belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan beëindigde het UWV haar WGA-loonaanvullingsuitkering per 17 januari 2017, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar het UWV en de rechtbank oordeelden dat de belastbaarheid correct was vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen te licht waren ingeschat en dat het behandelplan met aanvullende diagnoses niet was meegewogen. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze gegevens had beoordeeld en geen aanleiding zag tot wijziging van het oordeel.
De Raad concludeerde dat de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies geschikt waren. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.