ECLI:NL:CRVB:2020:135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering bij 38,45% arbeidsongeschiktheid
Appellante was administratief medewerker en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar stelde een verzekeringsarts bezwaar en beroep een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarop een arbeidsdeskundige nieuwe functies selecteerde en de arbeidsongeschiktheid op 38,45% werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat de psychische en fysieke beperkingen waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen door het UWV waren onderschat, met name haar zware depressie en diverse lichamelijke klachten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de psychische klachten betrokken en gemotiveerd beoordeeld, waarbij de diagnose matige depressie werd bevestigd. Nieuwe medische gegevens ondersteunden geen zwaardere beperkingen. Ook de fysieke klachten waren niet voldoende onderbouwd. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de geselecteerde functies overtuigend gemotiveerd. Het hoger beroep werd verworpen en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering op basis van 38,45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.