ECLI:NL:CRVB:2020:137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van intrekking WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als machineoperator en productiemedewerker, viel in 2010 uit wegens psychische klachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering werd zijn arbeidsongeschiktheid later vastgesteld op 36,05%. Op zijn verzoek tot herbeoordeling in 2016 concludeerde een arts beperkingen door psychische klachten en hart- en vaatproblemen. Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant geschikt was voor vijf voorbeeldfuncties, wat leidde tot een berekening van 30,17% arbeidsongeschiktheid. Het UWV besloot daarom in 2017 de WIA-uitkering te beëindigen.
Appellant stelde bezwaar in met de claim dat hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt was, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van medische rapporten. In beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij niet kan werken, maar leverde geen nieuwe objectiveerbare medische gegevens aan. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook vond de rechtbank de geselecteerde functies passend voor de berekening van arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze conclusies en oordeelt dat appellant geen nieuwe gegevens heeft aangeleverd die aanleiding geven tot een andere beoordeling. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de WIA-uitkering terecht is ingetrokken.