ECLI:NL:CRVB:2020:1378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig steigerbouwer, meldde zich ziek met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant slechts 16,95% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn knie- en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsarts deze klachten wel degelijk had betrokken en gemotiveerd waarom deze niet tot meer beperkingen leidden. Er was een duidelijke discrepantie tussen technische bevindingen en ervaren beperkingen, wat volgens het Schattingsbesluit leidde tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad bevestigde dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellant. Er was geen aanleiding om het besluit van het UWV te vernietigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.