ECLI:NL:CRVB:2020:138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met hand-, arm- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek naar haar psychische klachten onzorgvuldig was en dat de verzekeringsarts ten onrechte geen verdere beperkingen had aangenomen, mede op basis van een brief van haar psychiater. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de verzekeringsarts adequaat had gemotiveerd waarom geen verdere beperkingen of urenbeperking nodig waren, en dat de medische informatie van de psychiater onvoldoende gemotiveerd was om het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeerde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 25 juli 2017 juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.