ECLI:NL:CRVB:2020:1388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering gegrond wegens voldoende arbeidsvermogen
Appellant was werkzaam als chauffeur/bezorger en meldde zich ziek met rugklachten waarna zijn dienstverband werd beëindigd. Hij ontving een Ziektewetuitkering, maar het UWV stelde vast dat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met ander passend werk en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die het oordeel van de verzekeringsartsen konden weerleggen.
De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, maar na 52 weken geldt als maatstaf gangbare arbeid. Appellant kon functies als receptionist en baliemedewerker vervullen. Een brief van een psychiatrische instelling over een intake na de datum van het bestreden besluit kon niet meewegen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De uitspraak bevestigt het besluit van het UWV en onderstreept het belang van het medisch oordeel bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid binnen de Ziektewet.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij passend werk kan verrichten.