ECLI:NL:CRVB:2020:1397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op heropening WAO-uitkering wegens onvoldoende periode toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante had een WAO-uitkering die in 2012 werd ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Zij meldde in 2015 en later in 2017 een toename van arbeidsongeschiktheid, maar het UWV wees deze verzoeken af omdat niet was vastgesteld dat zij gedurende een onafgebroken periode van vier weken toegenomen arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij informatie van diverse artsen en de GGZ was betrokken. De rechtbank vond geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te verwerpen, die concludeerde dat geen periode van vier weken toegenomen arbeidsongeschiktheid kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische toestand verslechterde en verwees zij naar medicatie voorgeschreven in Mekka, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank. De medische gegevens toonden een tijdelijke ontregeling van diabetes en acute nierinsufficiëntie, waarna appellante somatisch opknapte. Er was geen psychiatrische diagnose en geen continuering van GGZ-behandeling na opname. De Raad concludeerde dat de informatie onvoldoende was om een onafgebroken periode van vier weken toegenomen arbeidsongeschiktheid aan te tonen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op heropening van haar WAO-uitkering wegens het ontbreken van een onafgebroken periode van vier weken toegenomen arbeidsongeschiktheid.