ECLI:NL:CRVB:2020:1402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing woonkostentoeslag wegens onvoldoende inspanningen voor goedkopere woning
Appellante ontvangt een nabestaandenuitkering en woont met haar twee kinderen in een huurwoning met een huurprijs boven de huurtoeslaggrens. Het college kende haar eerder woonkostentoeslag toe onder de voorwaarde dat zij binnen zes maanden goedkopere woonruimte zou vinden en een urgentieverklaring zou aanvragen.
Na een nieuwe aanvraag in februari 2018 wees het college deze af wegens onvoldoende inspanningen van appellante, die geen urgentieverklaring had aangevraagd en onvoldoende contact had gezocht met de woningbouwstichting en de Dienst Wonen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet had aangetoond dat zij alles had gedaan om een goedkopere woning te vinden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel aan de inspanningsverplichting had voldaan en dat het college het beleid inconsistent had toegepast, aangezien zij later toch woonkostentoeslag kreeg toegekend zonder intensievere inspanningen. De Raad oordeelde dat de gronden onvoldoende nieuw waren en dat het college het buitenwettelijk begunstigend beleid consistent had toegepast. De inspanningen voorafgaand aan de latere toekenning waren groter dan bij de afwijzing.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de woonkostentoeslag wordt bevestigd.