ECLI:NL:CRVB:2020:1406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Indicatie banenafspraak wegens verdiencapaciteit minimumloon
Appellant, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Participatiewet, verzocht via een klantmanager van de gemeente een Indicatie banenafspraak bij het UWV. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant volgens een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts met zijn beperkingen in staat is een drempelfunctie te vervullen en het wettelijk minimumloon te verdienen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna een verzekeringsarts hem onderzocht en een Functionele Mogelijkhedenlijst opstelde. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag bevestigde dit oordeel, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant geen objectieve medische informatie had aangeleverd die twijfel kon zaaien over de beoordeling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de drempelfunctie niet kon uitvoeren vanwege fysieke belastbaarheid en dat het rapport van de verzekeringsarts onzorgvuldig was. Tevens gaf hij aan in behandeling te zijn voor een angststoornis. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant juist waren ingeschat. De angst- en spanningsklachten waren meegenomen in de beoordeling. Er was geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad bevestigde dat appellant met zijn beperkingen de drempelfunctie medewerker bloemzaadproductie kan vervullen en daarmee het minimumloon kan verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Indicatie banenafspraak bevestigd.