ECLI:NL:CRVB:2020:1407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA op 60,32% na herbeoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als orderpikker, meldde zich in 2007 ziek vanwege psychische klachten en ontving vanaf 2009 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, aanvankelijk vastgesteld op 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 51,77%, later bij bezwaar verhoogd naar 60,32%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze vaststelling ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en benutbare mogelijkheden van appellante voldoende hadden gemotiveerd. De rechtbank vond geen aanleiding om de medische beoordeling te betwijfelen, ook niet op basis van de door appellante overgelegde psychiatrische expertise.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, zonder nieuwe medische stukken te overleggen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 60,32% wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.