ECLI:NL:CRVB:2020:1411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde voorschotten pgb AWBZ wegens niet-naleving verplichtingen
Appellant ontving in 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) om AWBZ-zorg in te kopen. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 7 april 2016 op nihil vast en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten van €57.080,15 terug omdat appellant niet voldeed aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de terugvordering te doen. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het pgb daadwerkelijk was besteed aan AWBZ-zorg, mede omdat hij zijn zorgverleners vooraf had betaald in strijd met de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad benadrukt dat de bewijslast bij appellant ligt om aan te tonen dat het pgb is besteed aan AWBZ-zorg. Ook het argument dat het zorgkantoor eerder had moeten ingrijpen, werd verworpen. De Raad concludeert dat het zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het op nihil vaststellen van het pgb en de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten wordt bevestigd.