Uitspraak
18.6436 AOW
OVERWEGINGEN
€ 500,- aan betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase tot aan de uitspraak van de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene werkte in de jaren 2008, 2009 en 2010 als Rijnvarende op een Nederlands motortankschip, maar stond op de loonlijst van Luxemburgse vennootschappen. Hij verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om toepassing van de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving via een overeenkomst met het bevoegde Luxemburgse orgaan op grond van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag. De Svb wees dit verzoek af wegens het niet tijdig aanleveren van gegevens en later wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden om af te wijken van de aanwijsregels.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat de Svb niet bevoegd zou zijn om over het verzoek te beslissen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de Svb door een regeling met terugwerkende kracht tot 1998 bevoegd is om namens de Minister te beslissen over dergelijke verzoeken. De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met deze regeling.
Inhoudelijk oordeelt de Raad dat de Svb onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene bewust Nederlandse premieheffing probeerde te ontwijken, mede omdat de nauwe familieband niet automatisch wijst op een constructie. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de Svb opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad bevestigt de proceskostenveroordeling ten gunste van betrokkene en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering en de SVB wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen; de SVB is bevoegd namens de Minister te beslissen.